Leven met een lege plaats leidt er vaak toe dat mensen een soort van dubbelleven leiden: een leven in de buitenwereld, waarin men dóór gaat, doet wat van hen wordt verwacht, en daarnaast – diep van binnen – een roerig gevoelsleven, dat alleen de ruimte krijgt in de beslotenheid van de eigen omgeving.

De novembermaand is de maand van gedenken. Morgen, 2 november wordt daarmee een start gemaakt in de katholieke kerk, waar Allerzielen wordt gevierd.  Veel protestantse kerken houden een gedachtenisviering op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, de zondag vóór de eerste Advent. Ook zijn er steeds meer seculiere initiatieven te bespeuren, waarbij onze dierbare overleden kunnen worden herdacht, zoals de lichtjesavonden op de plaatselijke begraafplaatsen en de memorials bij de crematoria. Op internet kunnen er – digitaal – kaarsjes worden ontstoken en op tv zijn er herdenkingsbijeenkomsten.

Overledenen worden al sinds mensenheugenis herdacht. In het begin van de jaartelling geloofde men dat de ziel niet direct na het overlijden haar bestemming bereikte. Sommigen gingen er van uit dat het dolen een week duurde, anderen hadden het over dertig dagen of een jaar. Men geloofde in onze Germaanse streken dat de ziel na een tweede plechtigheid pas zou vertrekken naar het hiernamaals, naar het Engelland. De mensen die achterbleven hadden in de tussenliggende periode de taak om de doden rijkelijk van spijs en drank te voorzien. Op de zevende of dertigste dag werden ‘maentstonden’-plechtigheden gehouden, een soort tweede begrafenis. Dit gebruik bleef na de invoering van het Christendom bestaan. Er werd op die dag een mis gelezen voor de overledene, maar er moest ook worden geofferd, waarbij eveneens door de genodigden flink werd gegeten en gedronken. Dat gebruik maakte dat Hincmar, de aartsbisschop van Reims, een decreet uitvaardigde waarin hij de priesters verbood om aan deze dolle feesten deel te nemen. Toch bleef het gebruik nog eeuwen in stand. 

In de 16e eeuw was men gewoon om acht maal per jaar een mis op te dragen voor de overledenen. Veel later zijn de maand- en jaarstonden op verzoek van de katholieke kerk vervangen  door één algemene gedenkdag: Allerzielen. Maar het heeft lang geduurd voor men aan dat verzoek wilde voldoen. De behoefte om te kunnen gedenken was immers groot en is dat nog altijd. Ruimte krijgen voor die lege plaats in je leven maakt dat het dubbelleven, dat je ongewild leeft, voor even wordt opgeheven. Want in het vieren en gedenken wordt de lege plek die je geliefde achterliet voor even een heilige plek. Een plek die wordt geëerd, die wordt toegezongen, die wordt gezien. Daarmee wordt jouw worsteling en jouw pijn (die zich vaak alleen in de beslotenheid van je leven uit) ook recht gedaan en komen verleden en toekomst bij elkaar.

 

Laeven met een löge plaatse

Laeven met een löge plaatse
is laeven
in een dubbellaeven:
is laeven met ’t laeven
én laeven met de dood.

Is lauw toelaeven naor
een onantrekkelijk later,
en laevensgroot verlangen
naor de geborgen
vergangenheid van welaer.

Is loyaal lachen met de luu
– de laebendigen –
en heel allene – met geslotten
luke – liepen en lieden
an hart- en liefzaer.

Laeven met een löge plaatse
is laeven
in een dubbellaeven:
is laeven met ’t laeven
én laeven met de dood.

Netty Hengeveld                                                                                           www.lievetied.nl 

De informatie in deze blog komt uit
‘De geschiedenis van de laatste eer in Nederland’ door H.L. Kok

error: Inhoud is beschermd