In navolging van George Bush, die na de terroristische aanslagen op 11 september 2001 de terminologie ‘War on terror’ gebruikte, stelde premier Rutte na de aanslagen in Parijs “We zijn in oorlog met IS”. In antwoord op de door een Parijse kunstenaar getekende Eiffeltoren als vredesteken, die vergezeld werd door de tekst Pray for Paris, werd er gedeeld Don’t pray for Paris, fight against hateful religious ideology! (bid niet voor Parijs, vecht tegen haatdragende religieuze ideologieën). Gevechtsterminologie klinkt ons daadkrachtig, moedig en positief in de oren, en ook vertrouwd.

Volgens de Russische negentiende-eeuwse schrijver Anton Tsjechow komt dat laatste doordat de mensheid de geschiedenis altijd heeft opgevat als een aaneenschakeling van veldslagen, omdat wij de strijd nu eenmaal het voornaamste achten in ons leven. Die gedachte sluit aan bij de Griekse filosoof Heraclitis, die al vijf eeuwen voor onze jaartelling beweerde dat strijd de vader van alles is.

Het geloof dat je moet strijden om je doelen te bereiken is breed geaccepteerd in onze samenleving. Op alle terreinen vliegen de strijdkreten ons om de oren. Maar gek genoeg kan ik geen Achterhoekse testosterontermen vinden. Als ik in de Wald-woordenboeken zoek naar strieden, dan vind ik alleen voetbalwedstrieden. En daar staat dan achter: ‘Bi’j bizundere gelaegenheden ko-j in ’t café gaon kieken.’ Bij het werkwoord slaon, kreeg ik alleen ’t anslaon van de pläntjes, ’t slaon van de klokke en ’t ummeslaon van ’t waer. Bij kampen, toch ook een synoniem van vechten, kwam er  uitrollen ‘der bunt ok wel kampen die hoge ligt’ en daarmee wordt bouwgrond bedoeld. Misschien levert ’t beuken wat op? Ja, maar dan alleen zelfstandige naamwoorden: een beukenhegge, beukenholt, beukennötjes. En boksen dan? Ik krijg: pilose (wark)boksen, manchesterse boksen en snelpissers (boksen waor-t in plaatse van bändjes elastiek in zit). En natuurlijk de achterhaalde uitdrukking: Waor-t boksen bunt, daor geldt gin rökke.

Al sinds eeuwen gaan Saksen de confrontatie het liefste uit de weg, en dat vind je kennelijk terug in de taal. Voor veel niet-Saksen is dat overigens knap lastig. Het is niet voor niets dat de Oostenrijkse schrijfster Marie van Ebner-Eschenbach ooit zei: ‘Niet zij die de strijd aanvaarden zijn te duchten, maar zij, die de strijd ontwijken.’

Ik wil hier niet beweren dat Saksen vreedzamer zijn dan andere bevolkingsgroepen, laten we op de vooravond van Kerst geen nieuwe strijd aanwakkeren… Toch vind ik het niet erg dat we qua strijdbaarheidsvocabulair in de Achterhoek achter lopen. Want als de spierballentaal achterblijft, kun je zoeken naar andere metaforen en beelden om je doelen en goede bedoelingen uit te drukken. Wat dacht je van kreten van verwondering, in plaats van strijdkreten?

Kerst is het feest van de geboorte van Jezus. Een geboorte die met veel wonderbaarlijke gebeurtenissen werd en wordt ingekleurd. En waarom ook niet? Zou verwondering niet aan de basis van ieder leven moeten liggen? Mensen die zich verwonderen over de schoonheid van de natuur kunnen haar niet uitbuiten. Mensen die zich verwonderen over het leven kunnen hun medemensen niet zien als een (economisch) object. Mensen die zich verwonderen over de grote verantwoordelijkheden die hen zijn toevertrouwd, zullen zich niet meer geld en goederen toe-eigenen dan wat hen toekomt. Kortom: alleen wie zich verwondert, wordt wijs. Laat je daarom wiegen door het wonder.

Wondermooie kerstdagen toegewenst en een nieuw jaar vol verwondering!

Netty Hengeveld

error: Inhoud is beschermd