Op 18 november is de eerste Afscheidswijzer, editie Achterhoek, gepresenteerd in het Koetshuis van Kasteel Slangenburg. De Afscheidswijzer is een zeer informatief boekje met betrekking tot de met levenseinde. De makers ervan hebben als motto: ‘van taboe naar tijdige oriëntatie’. Het boekje is op vele plaatsen in de Achterhoek gratis te verkrijgen: denk aan gemeentehuizen, bibliotheken en zorgcentra. Bij deze bijzondere

 

 

gelegenheid mocht ik een praatje houden voor mijn collega’s.

Beste collega’s,

Volgens mij kennen we elkaar niet allemaal, maar wat ons met elkaar verbindt is dat we allemaal een beetje eng zijn. Nou, ja, een beetje eng worden gevonden. We zijn een soort Adams-family.

Ik heb dat gemerkt toen ik op een seniorenbeurs stond. In de hoek stond een uitvaartleider. Die hoek, – mijn man noemde het de dode hoek – werd door het publiek consequent afgesneden.

De dood is met veel mystiek, maar ook met angst omgeven. Zo joeg het Sinterklaasjournaal vorige week de kinderen de stuipen op het lijf. Ze deden de nacht daarop geen oog meer dicht. Dat kwam niet door de nog altijd Zwarte Pieten, maar door Witte Wieven. Onder het gehoor van duizenden door angst bevangen kijkbuisgekluisterde kinderzieltjes,  vertelde Mevrouw Kort van Memorie over de witte juffers, die volgens haar nog altijd in de hunebedden ronddwalen.   

Een paar dagen later leer ik een nieuw woord: paraskevi-deka-tria-fobie: angst voor vrijdag de dertiende. Een Amerikaanse fobietherapeut zou hebben gezegd dat, wanneer je het woord vloeiend kunt uitspreken, je genezen bent van deze irrationele angst. Later die dag gebeurt er iets dat bij die genezing grote vraagtekens zal zetten.

Zaterdagochtend, nog in bed, check ik de NOS-app op mijn slimme telefoon. Op de dag waarop de Sint met zijn pepernotenstrooiende Pieten voet aan land zal zetten, lees ik hoe terroristen die dag er vóór verdriet, angst en paniek hebben gezaaid. Ik pak mijn blauwe schriftje en schrijf een klein gedichtje in de taal waarin ik mijn gevoelens het beste kan verwoorden:

Vri’jdag den dertienden (november 2015)

Gin domme pech,
gin vri’jdag-den-dertienden-malheur,
maor uutgekiende acties
van moordzucht en terreur.
Gin zwarte katten-kwaod,
gin wieve, in witte nevelen gehuld,
maor ongemaskerde mansluu, die
– doodgemoedereerd –
eur Kalashnikovs nog es vult.
Paries wörd eur paraskevi-deka-triaverdriet
nooit maer kwiet!

Ik plaats het gedichtje op mijn facebookpagina en door veelvuldig liken en delen bereikt het bericht in een paar dagen meer dan 27.000 mensen. Dat bevestigt opnieuw dat je heftige emoties als verdriet, ontzetting en angst het beste kunt delen in je eerste taal.

Ik merkte dat al eerder, toen ik nog bij de kerk werkte. Als ik een pastoraal bezoekje aflegde, en ik er – bij het horen van een Achterhoeks accent – een volzin in de streektaal uitgooide, voelde je de spanning van de schouders glijden: ‘Oh, i’j könt ok plat praoten’. En daarmee werd je meteen ‘eigen’.  De Duitse filosoof Heidegger zei het al: de taal is het huis van het Zijn. Alleen in je moedertaal kun je wonen.

Nu ik niet meer in dienst ben van een kerk en mij met mijn bedrijf  ‘Lieve tied’ heb gevestigd als ‘spreker bij afscheid’, blijf ik aandacht houden voor de streektaal:

Zo maakt een rouwgesprek in ’t plat, dat je veel meer informatie boven tafel krijgt.

Een citaat van de overledene in zijn eigen taal maakt dat mensen zeggen: ‘Zo was e precies!’

Daarnaast maakt een afscheid in de streektaal het geheel minder plechtstatig, brengt als vanzelf humor, maar ook rust en ingetogenheid met zich mee.

Logisch, want de moedertaal is de taal van het hart. Gevoelens kunnen in de streektaal veel natuurlijker worden verwoord. Dat merkte ik toen ik mijn eerste dialectgedichtje schreef na het overlijden van onze buurman. Hij zei altijd: ‘Een kaere kump ‘t’

Een kaere kump ‘t                   
da-j mot loslaoten
wat zo eigen was.
Een kaere kump ‘t
dat weurde
stille zwiegt.
Een kaere kump ‘t
da-j – altied zo bi’j de tied –
de tied mot laoten veur
wat ze waerd is.
Want een kaere kump ‘t
da-j eur stillekes aoverstiegt.

Bij een natuurlijke dood op een aanzienlijke leeftijd is er in deze Saksische streken vaak sprake van berusting: ’t hef zo motten waen’.En al wordt er hier zelden over een leven voorbij de horizon gesproken, vertrouwen is er vaak wel. Dat hoor je terug in:  ‘Moeder’.      

I’j hielden mi’j vaste,
onder nen indruk
van ’t wonder
van ni’j laeven
dat ik wazze;
’t wonder dat in ’t duuster
van owwe sluppe
was ewaeven.
I’j strekken mi’j
zacht aover miene
ärmkes, miene rugge,
miene wangen.
‘t Laeven was
röstig en goed.
Wat kon-k
nog maer van eur
verlangen?

Ik hiel ow vaste,
onder nen indruk
van ’t wonder
van laeven
dat i’j wazzen;
’t wonder van ow laeven
dat altied met dat van mi’j
was verwaeven.
Ik strieke ow
nog een kaere aover
owwe arme, owwe wangen
en owwe rugge
en geef straks
ow laeven terugge
an de sluppe van Eur
die ow én mi’j – in lecht en liefde –
umsgeliek ok op zal vangen.

Ook geloven veel mensen, zowel Achterhoekers als niet-Achterhoekers, in een weerzien na de dood:

Verwielen
in een wiezerloze tied
van wachten en waken.
Waarderen
in warmen en weurde en
wangen strieken.
Worstelen
en weigeren veur waor te nemmen
dat ow lieve laeven wisse zal wieken.

En dan ow verwonderen
hoe wonderstille
i’j wordt ewenkt:
een zuchtjen wind, die
welhaost niet waeit,
maor wolkig as wierook
wegvlög naor een
wereldvrömd land,
waor wi’j – naor ik wense –
mekare welens
zölt waerzien!

Voor anderen is er na de dood niets, maar verbindt de liefde de overledene met de levenden:

’t Is goed ewest:
héél goed,
maor now is-t tied
veur ow
te gaon.
I’j gavven ons
ow leaven.
I’j gavven ons ‘t beste.
Zovölle goeds
mochten wi’j
met ow belaeven.
Alles heb i’j ons egeven.
En now geve wi’j ow
’t enige
dat ons nog rest.

Wi’j laot ow gaon,
umdat wi’j diepe
van binnen wet:
veur onze liefde
is dit ajuus
niet ‘t letste.

De Achterhoeker staat er om bekend dat hij houdt van het leven en iedere gelegenheid aangrijpt om dat ook te vieren.Tegelijkertijd is de dood meestal geen taboe voor de plattelanders, die altijd met de seizoenen hebben geleefd: ‘Een kaere kump ‘t…’ of in een andere Achterhoekse uitdrukking: Al gao-j nog zo breed zitten, ow plaatse kump een kaere vri’j.

In deze streken kende men dan ook lange tijd het oude gebruik dat jonge meisjes voor hun uitzet een verhennekleed of linnenslat (doodshemd) maakten en dat jongemannen het hout voor de doodskist al direct bij het huwelijk klaarlegden op de hilde of het spieker.

 Nu de meeste mensen geen verhennekleed meer in het kammenet hebben liggen en geen doodskistplanken meer op ‘t spieker, kan de Afscheidswijzer in heel wat bescheidener afmetingen, die plaats innemen, als zijnde een voorbereiding op het einde.  

De bekende Achterhoekse schrijver Hendrik Odink zei: “Van een borreltjen wo-j zo geröst as een schaop”. Maar goede informatie doet dat ook. Als Mw. Kort van Memorie er bij had verteld dat de naam Witte Wieven wordt gegeven aan de flarden mist die ’s ochtends soms boven de weilanden hangen, dan hadden die arme kinderen rustig kunnen slapen.

Hoewel de dood ongenadig kan inbreken in het leven van mensen, hoop ik dat we – met de informatie in de Afscheidswijzer – voor een klein beetje meer ‘geröstheid’ en voor minder nachtelijk ‘gemier, gewruut en gedraei’ kunnen zorgen. En misschien komen de mensen er dan achter dat we toch minder eng zijn dan het lijkt.

error: Inhoud is beschermd